Als er naar iets gekeken wordt dat dichterbij komt, bewegen de ogen automatisch naar elkaar toe. De oogassen kruisen op het punt waar het object zich bevindt. Dit levert, heel snel en trefzeker, een scherp beeld op. Bij divergeren gebeurt het omgekeerde, de ogen bewegen van elkaar af.

Als je wil lezen of kijken naar een voorwerp moeten de ogen beiden naar binnen draaien (convergeren) om het goed te kunnen zien. Dit focussen zorgt voor binoculair zicht zodat er één enkel beeld binnenkomt.

Dit alles wordt bestuurd door de spieren rond de ogen. Als één van deze spieren niet goed werkt kan dit uitdagingen opleveren.

Soms kan er niet goed naar boven, onder, links of rechts gekeken worden. Het kan ook zichtbaar zijn doordat één of beide ogen scheef staan (strabismus).

Dit kan zorgen voor vermoeide ogen, of dubbel zien.

Convergentie insufficiëntie

Convergentie insufficiëntie betekent dat de ogen niet goed tegelijk naar binnen kunnen draaien. Een of beide ogen blijven naar buiten gericht met als resultaat dat er dichtbij (dus bij het lezen bijvoorbeeld) dubbel wordt gezien maar dat het op afstand kijken prima gaat. Omdat deze aandoening problemen geeft met lezen wordt er vaak (ten onrechte) gedacht aan een leerstoornis. Het komt voor bij 4 tot 6 van de 100 kinderen. Behandelingen voor convergentie insufficiëntie zijn meestal zeer effectief.