Motoriek

Motoriek is het vermogen tot bewegen. We kunnen bewegen dankzij de ons bewegingsapparaat.

De hersens en motoriek

De aansturing van de motoriek vindt plaats in de grote hersenen, in bepaalde gebieden van de hersenschors. Er liggen meerdere kleine gebieden die een groep spieren aansturen. Iedere spier is met meerdere zenuwcellen verbonden, iedere neuron is met meerdere spieren verbonden. Het geheel is zo flexibel dat er bij bepaalde uitval vaak toch aansturing mogelijk is.

Het bewegingsapparaat

Bij een goed functionerend bewegingsapparaat werken botten en gewrichten werken samen met spieren en zenuwen. Door het aanspannen van een spier kun je een botstuk bewegen. 

Met dit systeem kun je op veel verschilende manieren bewegen en contact maken met de wereld om je heen.

Het bewegingsapparaat zorgt voor:

  • houding: stand van het lichaam zoals zitten, liggen, staan
    bewegingen
  • specifieke bewegingen zoals lachen of een bal gooien
  • voortbewegingen zoals rennen en springen
  • gebaren zoals zwaaien, duim omhoogsteken
    gereedschappen
  • hanteren zoals schrijven en knippen

Sensomotoriek

De ontwikkeling van de motoriek heeft veel te maken met (de ontwikkeling van) de zintuigen. Het sensorisch systeem wordt gevormd door het gehoor, het zicht, de tast, de reuk, de smaak, het evenwicht en het diepe spiergevoel.

Motoriek en sensoriek gaan altijd samen; dat werkt twee kanten op. Op een prikkel reageren we met beweging, deze beweging nemen we waar met onze zintuigen. Dit fenomeen noemen we sensomotoriek. Hoe beter de sensomotoriek, hoe beter we kunnen bewegen.

Grove en fijne motoriek

Motoriek kan worden onderverdeeld in grove en in fijne motoriek. De grove motoriek wordt eerder ontwikkeld dan de fijne motoriek. Een tweejarig kind hoeft een pen nog niet goed vast te houden. De meeste mensen vinden de grove motoriek makkelijker dan de fijne motoriek, waarschijnlijk omdat we die bewegingen meer geautomatiseerd hebben. De fijne motoriek daarentegen vraagt om aandacht en concentratie.

Grove Motoriek

Grove motoriek bestaat uit alle bewegingen waarbij het hele lichaam of de grote delen van het lichaam gebruikt wordt. Meestal verplaatst het lichaam zich in de ruimte. Meestal zijn zowel de bovenste als onderste ledematen hierbij betrokken. Je kunt hierbij denken aan lopen, springen en hinkelen zwaaien, lopen, zwemmen, rollen, kruipen, schoppen.  Sporten en gymnastiek vergen een ook goede grove motoriek. Ook sporten die te maken hebben met  balvaardigheid vallen onder de grove motoriek. De grove motoriek ontwikkelt zich vóór de fijne motoriek.  Iemand die de grove motoriek niet voldoende beheerst: is onrustig, beweegt vaak veel is

Lees verder »

Fijne motoriek

De fijne motoriek ontwikkelt zich in samenwerking met de ogen (oog-hand coördinatie). De pols, hand, vingers en duim maken kleine bewegingen om voorwerpen te grijpen en te manipuleren. De fijne motoriek ontwikkelt zich stap voor stap en wordt steeds verfijnder. In het begin bewegen schouders, ellebogen en romp nog mee. Naarmate er meer geoefend wordt gebeurt dat steeds minder. Bewegingen in pols, vingers en duim raken steeds meer op elkaar afgestemd. Het tempo gaat omhoog, de kracht wordt beter verdeeld en de ruimtelijke organisatie is in orde. De schrijfmotoriek is een onderdeel van de fijne motoriek. Uitdagingen

Lees verder »
Sluit Menu